Het budget is opgesteld, het financieringsschema ook. Het spaargeld is zorgvuldig geteld. De hypotheeklening aangevraagd. Alles klopt als een bus. Binnen een paar maanden staat er nog maar een paar tienduizend frank op de spaarrekening, maar we wonen in een eigen huis. Het grote project kan beginnen.
Maar in de week voor de grote dag waarop de akte bij de notaris zal worden ondertekend, wacht een verrassing. De notaris laat je weten hoeveel de registratierechten zullen bedragen die je de week nadien moet betalen, maar waarschuwt je ook dat je best nog een tweede cheque op zak kan hebben. Het blijkt immers dat de notaris zelf ook kosten aanrekent.
Als vergoeding voor de opzoekingen die hij moet doen, voor de fiscale zegels die hij moet aanbrengen, voor het opstellen van de authentieke akte die voor de hele wereld bewijst dat het huis voortaan van jou is, kortom als loon voor zijn arbeid en vergoeding van de gemaakte kosten, stuurt de notaris een factuur.
Dat sturen is weliswaar figuurlijk, want de rekening is ter plekke, bij het ondertekenen van de akte te regelen.
De notaris is een ambtenaar en bijgevolg gebonden aan vaste tarieven. Die zijn gekoppeld aan de koopsom, maar ze verlopen niet lineair. Zo lopen de erelonen op van 58.141 frank voor een koopsom van 3 miljoen, over 75.241 frank voor een woning van 6 miljoen tot 98.041 frank voor de villa die gekocht wordt voor 10 miljoen.
Als je een ,,bescheiden'' woning aankoopt, worden niet alleen de registratierechten verlaagd tot 6 procent. Sinds 1 januari van dit jaar krijg je ook een forfaitaire korting van 10.000 frank op het ereloon van de notaris.
De fiscus spreekt van een ,,bescheiden'' woning als het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen minder dan 30.000 frank bedraagt en als je bovendien geen andere woning bezit. Vanaf drie kinderen ten laste wordt het plafond verhoogd tot 34.000 frank en vanaf vijf kinderen tot 38.000. Vanaf zeven kinderen ligt het bedrag op 42.000 frank.
Bij onverdeeldheid, na een erfenis, mag je aandeel in het kadastraal inkomen van die woning niet meer bedragen dan een kwart van het plafond dat van toepassing is.
In tegenstelling tot een woning, mag je wel een stuk onbebouwde grond bezitten, maar het kadastraal inkomen daarvan wordt opgeteld bij het kadastraal inkomen van de woning die je wil aankopen, en die som mag het plafond dat voor jou geldt niet overschrijden.
Daar bovenop komt de vergoeding voor de door de notaris gemaakte kosten, de aktekosten. Die bedragen 18.000 frank voor een woning van 3 miljoen en 19.000 voor een woning van 6 of 10 miljoen.
Als de woning openbaar wordt verkocht, liggen de kosten voor de notaris een stuk hoger en dus betaalt de klant ook een pak meer. Daar bovenop komen nog vaak kosten die het kantoor van de notaris heeft gemaakt voor het aankondigen van de verkoop, en die ten laste vallen van de koper.
Maar voor velen is de kous daarmee nog niet af. De meeste mensen moeten immers een deel van de aankoop- of bouwsom lenen bij de bank. Daarvoor is een inschrijving nodig in het register van de hypotheken. Het inschrijvingsrecht bedraagt 1,3 procent, wat neerkomt op 39.000 frank voor een lening van 3 miljoen en oploopt tot 65.000 frank voor een lening van 5 miljoen frank.
Daarnaast betaal je de notaris ook voor dit werk een ereloon. Dat gaat van 23.826 frank voor het inschrijven van een lening van 3 miljoen tot 28.386 frank voor een lening van 5 miljoen. Ook de hypotheekbewaarder, de ambtenaar die de papieren beheert, heeft recht op een -- weliswaar veel kleiner -- ereloon. Voor een lening van 3 miljoen betaal je (via de notaris) 3.492 frank, voor een krediet van 5 miljoen frank betaal je 4.939 frank. De aktekosten zijn niet gekoppeld aan het kredietbedrag en bedragen steeds 19.000 frank.
Als je bij de notaris buiten stapt na de aankoop van een woning van 6 miljoen waarvoor je een lening van 4 miljoen hebt afgesloten, heb je op je tweede cheque 195.558 frank ingevuld.
Op de eerste prijkt al 750.000 frank, voor de registratierechten, weet je wel?
Het is oorlog..., ook op onze wegen. De statistieken staan bol van de harde cijfers. Wie de moeite doet ze even uit te pluizen durft de baan nog nauwelijks op. Met gemiddeld meer dan 4 doden per dag is het een oorlog die dik 1.500 slachtoffers per jaar maakt. Waar blijven de verontwaardigde politici om de strijd aan te binden met de terroristen van de weg?
Tussen de 50.000 en de 100.000 chauffeurs in dit land zijn niet verzekerd. Maar dat is lang niet alles.
Een op de tien automobilisten gaat niet met zijn wagen naar de autokeuring, ook niet na herhaalde waarschuwingen. Brussel en Henegouwen spannen de kroon met 15 tot 20 procent ,,brossende'' chauffeurs.
Van de 4,7 miljoen wagens op onze wegen zijn er zowat 1,7 miljoen minder dan vier jaar oud. De overige drie miljoen moet dus jaarlijks gecontroleerd worden op technische mankementen die de verkeersveiligheid en/of het milieu in gevaar kunnen brengen.
Een eenvoudige rekensom leert dus dat jaarlijks 300.000 automobilisten de keuring laten voor wat ze is. Met één op vijftien auto's die ons dag-in-dag-uit inhalen, die we zelf inhalen, kruisen of gewoon volgen is er dus mogelijk iets ernstig mis, waardoor ze eigenlijk niet meer op de weg thuishoren.
Het is niet zozeer de prijs van de keuring die blijkt af te schrikken, wel het risico dat de wagen wordt afgekeurd, of slechts met hoge kosten in het verkeer kan worden gehouden.
Zonder geldig schouwingsbewijs rijden, houdt risico's in. En niet alleen omdat de wagen potentieel een gevaar op de weg is.
Het eerste risico is een boete. Wie kiest voor een minnelijke schikking komt er vanaf met 50 euro. De stap daarna is de politierechter. Dan kan de boete oplopen tot 5.000 euro of een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden. Bij een nieuwe overtreding binnen de twee jaar, wordt de eerste boete verdubbeld.
Uit cijfers van de parketten blijkt dat de overtredingen vaak opgestapeld worden: geen verzekering, geen schouwing, geen inschrijving. Minimum tarief is dan 500 euro boete, ook met een verdubbeling bij herhaling binnen twee jaar.
En daar blijft het niet bij. Bij een ongeval kan de verzekeraar ervan uitgaan dat het voertuig niet in goede staat is door nalatigheid. Hij kan alle kosten van het ongeval op de bestuurder verhalen. De automobilist moet dan bewijzen dat het ongeval niet het gevolg is van de staat van zijn voertuig.
Nog wat cijfers. Dagelijks malen we met z'n allen gemiddeld 350 miljoen kilometer af. De beroepsactieven onder ons nemen daarvan tweehonderd miljoen voor hun rekening, vooral onder de vorm van woon-werkverkeer. En dan mogen we nog van geluk spreken dat minder dan 60 procent van de pendelaars voor de auto kiest.
Onze dagelijkse pendelrit bedraagt volgens de statistieken gemiddeld 30 kilometer heen, en evenveel terug. Zelfs bij een eerder lage verkeersdensiteit, hebben we dan op elk ogenblik gemiddeld zeker 14 auto's binnen oogafstand, zowel voor als achter ons.
Op een baan met twee rijstroken waar om de 25 meter een auto rijdt, houdt zoiets in dat we steeds een viertal auto's voor en een drietal achter ons in de gaten hebben, of tenminste zeer rechtstreeks rekening moeten houden met hun rijgedrag.
Als we er van uitgaan dat na elke kilometer zowat de helft van die auto's wisselt omdat de chauffeur duidelijk harder of trager rijdt, dan heeft onze veiligheid al die tijd onder meer afgehangen van de manier waarop bijna 450 auto's en hun chauffeurs zich in het verkeer gedragen. De helft daarvan 's ochtends, de andere helft 's avonds.
Als onze veronderstellingen juist zijn komen we op die manier dagelijks zowat één tienduizendste van alle in België ingeschreven auto's tegen. Statistisch zitten daar 30 niet-gekeurde wagens tussen, waaronder 5 tot 10 die bovendien niet verzekerd zijn. Als dat maar goed blijft aflopen.
Dat de aankoop van een onroerend goed mooie belastingvoordelen kan opleveren, weet iedereen. Maar is dat ook zo als u een tweede verblijf koopt ?
Wie een hypotheeklening afsluit voor de aankoop van een onroerend goed, heeft onder bepaalde voorwaarden recht op enkele mooie belastingvoordelen. Dat weten de meeste jonge gezinnen maar al te goed. De kapitaalaflossingen van de lening geven recht op een eerste belastingbesparing. En laat u een woning bouwen of koopt u ze aan in nieuwe staat onder het btw-stelsel dan kan u bovendien nog recht hebben op een bijkomende interestaftrek. Keerzijde van de medaille is echter dat u plots met een fors hogere belastingaanslag wordt geconfronteerd wanneer de lening van uw woning is afbetaald. Dat is één van de redenen waarom op zo'n moment wel eens de aanschaf van een tweede woning wordt overwogen. Want voor een deel kan zo'n tweede verblijf dat fiscaal gat immers terug dichten. Maar spijtig genoeg niet helemaal. Laat ons de verschilpunten even overlopen.
Wat betreft de bijkomende interestaftrek moet u zich alvast niet teveel illusies maken. Die geldt enkel voor hypothecaire leningen (met een looptijd van minstens 10 jaar) die betrekking hebben op uw enige, in België gelegen woning. De lening voor een tweede verblijf valt hiervoor dus sowieso uit de boot. De betaalde interesten van een woonkrediet kunnen wel het (supergeïndexeerd) kadastraal inkomen van uw tweede verblijf compenseren. Op die manier zorgt u ervoor dat u - naast de onroerende voorheffing - geen bijkomende personenbelasting verschuldigd bent op uw vakantiewoning.
Het fiscaal voordeelregime verbonden aan de kapitaalsaflossingen van een woningkrediet is ook van toepassing op tweede verblijven. Tenminste, voor zover -net als voor een eerste woning- aan vier basisvoorwaarden is voldaan :
1. Het moet gaan om een krediet dat gewaarborgd is door een hypothecaire inschrijving.
2. De looptijd van de lening moet minimum tien jaar bedragen.
3. De lening moet aangegaan zijn bij een financiële instelling die binnen de Europese Unie gevestigd is.
4. De lening wordt aangegaan om een in België gelegen woning te verwerven, bouwen of verbouwen.
Spijtig genoeg wordt dit fiscaal voordeel voor een tweede (of volgende) verblijf echter minder gunstig berekend dan voor uw eerste woning. Bij de aankoop van uw enige woning wordt de belastingkorting namelijk berekend door de "toegelaten" kapitaalsaflossingen te vermenigvuldigen met u marginale belastingvoet. Die ligt in de meeste gezinnen tussen de 45 à 55 procent. Bij de aankoop van een volgende woning wordt de belastingvermindering berekend door de "toegelaten" kapitaalsaflossingen te vermenigvuldigen met uw verbeterde gemiddelde aanslagvoet. Die ligt voor elk gezin slechts tussen de 30 en de 40 procent.
Het begrip "toegelaten" kapitaalsaflossing heeft betrekking op het bedrag dat u heeft geleend om de woning te verwerven. Een lening van maximaal 59.960 euro (voor gezinnen zonder kinderlast, te verhogen voor gezinnen met kinderen) komt in aanmerking voor de berekening van het fiscaal voordeel. Leent u méér dan komt slechts dit gedeelte van de lening, en dus ook een evenredig deel van de kapitaalsaflossing, in aanmerking voor de berekening van het fiscaal voordeel. Sluit u de lening enkel om fiscale redenen af, dan beperkt u zich dus best tot dit bedrag.
Merk verder op dat het criterium van 'enige' of 'volgende' woning wordt beoordeeld op datum van afsluiting van de lening. De hogere belastingkorting die u krijgt wanneer u uw eerste en enige woning aankoopt, blijft dus van kracht zolang u de woning behoudt, zelfs al koopt u er later een tweede verblijf bij. Op dit tweede verblijf zal dan natuurlijk wél de minder gunstige berekening van kracht zijn, vermits het op datum van de lening niet uw enige woning is.
Houdt er tenslotte ook rekening mee dat uw tweede verblijf u mogelijk geen extra fiscale voordelen oplevert wanneer de lening van uw eerste woning nog loopt. De totale kapitaalsaflossingen waarop de belastingvermindering wordt berekend, zijn immers begrensd tot maximaal 1.800 euro per persoon. Dit plafondbedrag ligt lager voor mensen zonder of met beperkte beroepsinkomsten. Heeft u uw persoonlijk plafondbedrag bereikt door de kapitaalaflossing van uw eerste lening, of door premies die u heeft betaald voor een schuldsaldo- of levensverzekering, dan kan een bijkomend woonkrediet u fiscaal niets extra meer opleveren.
Voor u zich om fiscale redenen een tweede verblijf aanschaft denkt u dus best maar even twee keer na. Met een fiscaal berekeningsprogramma dat u op uw pc kan installeren en dat u voor enkele tientallen euro's kan aankopen in de boekhandel, kan u in een handomdraai nagaan welke extra belasingvoordelen u van een tweede verblijf mag verwachten. Ook kan u op internet, op de sites van sommige banken en verzekeringsmaatschappijen, dergelijke berekeningsprogramma's raadplegen. En geraakt u daar echt niet wijs uit dan kan u ook aan uw bankier vragen om de berekening voor u te maken. Als u hem een bijkomende lening in het vooruitzicht stelt, dat zal die daar best toe bereid zijn.
De spaarbank Centea verlaagde donderdag de tarieven van haar woningkredieten met 5 tot 15 basispunten.
Het tarief voor de formule met een driejaarlijkse renteherziening daalt van 3,85 naar 3,80 procent. Het tarief voor de vijfjaarlijkse herziening zakt van 4,25 naar 4,20 procent. Het tarief voor de formule waarbij de rente eerst 10 jaar vastligt en daarna om de 5 jaar kan aangepast worden gaat van 4,60 naar 4,50 procent. Het nieuwe tarief voor de formule met een rente die 20 jaar vastligt, is 4,65 procent in plaats vaan 4,80 procent.
Hypotheekleningen blijven in ons land als zoete broodjes over de toonbank gaan. De omzet uit nieuwe woonkredieten klokte bij Fortis België af op 3,43 miljard euro in de eerste jaarhelft.
Dat is meer dan dubbel zoveel als in dezelfde periode vorig jaar (1,62 miljard).
Fortis is in ons land marktleider in woonkredieten met een marktaandeel van zowat 25 procent. Concurrent ING België stelde vorige week ook al een forse stijging van zijn uitstaande woonkredieten vast in het eerste semester.
De hausse in het woonkrediet is toe te schrijven aan het uitzonderlijk lage rentepeil en de hoge vastgoedprijzen.
Het Nationaal Instituut voor de Statistiek maakte gisteren bekend dat het aantal afgeleverde bouwvergunningen voor nieuwe privé-woningen het voorbije kwartaal gestegen is met 11,8 procent tegenover het voorgaande kwartaal.
De stijging is sterker voor appartementen (+16,9 procent) dan voor eengezinswoningen (+9,7 procent).
Volgens Jacques De Pover van de bank Dexia gaan de rentetarieven niet meteen de hoogte in. Hij verwacht dat de Europese Centrale Bank haar basisrente (2 procent) voor een lange periode zal behouden.
Mede daardoor zal ook de tienjarige obligatierente, die momenteel het laagste niveau bereikt sinds 1920, nog zeker negen maanden laag blijven, voorspelt de Dexia-econoom.
Argenta Spaarbank, de prijsleider voor verzekeringsbons, verlaagt de tarieven van de verzekeringsbons met een looptijd van 7 en 8 jaar met 10 basispunten.
De bank verlaagt het tarief van haar Arasbon op 7 jaar van 2,70 naar 2,60 procent en van de Arasbon op 8 jaar van 2,75 naar 2,65 procent.
Argenta voert de tariefverlagingen door in reactie op de lage langetermijnrente.
De Vlaamse fiscus heeft afgelopen jaar in minstens 60.000 gevallen de onroerende voorheffing of ,,grondbelasting'' verkeerd berekend. Er liepen al meer dan 80.000 bezwaarschriften binnen. Maar hoe weet je dat de fiscus zich vergist heeft? Hoe bereken je die grondbelasting?
De onroerende voorheffing werd afgelopen jaar voor het eerst door het Vlaams Gewest zelf geïnd. Voordien werd die voorheffing federaal geïnd en dan doorgestort aan de gewesten, de provincies en de gemeenten. Je krijgt er een afzonderlijke afrekening voor die binnen de twee maanden betaald moet worden.
De onroerende voorheffing wordt geheven op het kadastraal inkomen. Dat is de geschatte huuropbrengst van een woning, verminderd met de kosten voor herstellingen en onderhoud en rekening houdend met de ouderdom van het goed.
Die huurwaarde hangt sterk af van de staat waarin de woning verkeert en van de ligging. Daarom zouden de kadastrale inkomens aanvankelijk om de tien jaar met een perequatie worden aangepast aan de werkelijke evolutie van de huurwaarde. Bij gebrek aan middelen werd dat systeem in 1993 afgeschaft. Maar de kadastrale inkomens worden sinds 1991 wel jaarlijks geïndexeerd.
Voor de inkomsten 1999, aanslagjaar 2000, moet het basis-kadastraal inkomen verhoogd worden met 23,99 procent. Op het resultaat van die ,,berekening'' wordt de onroerende voorheffing toegepast.
Het percentage van die voorheffing hangt af van de gemeentelijke en provinciale opcentiemen. Alleen de verhoudingen tussen Gewest (2,5 %), provincie (drie keer zoveel) en gemeente (11,5 keer zoveel) liggen vast. Daar kan je in een rubriek als deze dus niets zinnigs over vertellen.
Wel over de kortingen waarop je recht hebt, en het is precies daar dat het afgelopen jaar goed mis is gegaan. Het Vlaams Gewest zou die kortingen voortaan automatisch toestaan, maar er blijken flink wat verschillen te bestaan tussen de gegevensbestanden van het kadaster en die van het rijksregister.
De rekening van de onroerende voorheffing wordt elk jaar gestuurd naar de persoon die op 1 januari van dat jaar eigenaar of vruchtgebruiker was van de woning. Werd het huis nadien binnen de twaalf maanden verkocht, dan moet de nieuwe eigenaar een deel van de voorheffing terugbetalen aan de oude eigenaar. De maand dat de eigendomsoverdracht plaatsvond moet de onroerende voorheffing betaald worden door degene die op de 16de van de maand eigenaar was.
De bekendste korting is die voor kinderen ten laste. Vroeger werd met een percentage op het kadastraal inkomen gewerkt: tien procent per kind vanaf twee kinderen ten laste. Eén kind geeft nog steeds geen recht op een belastingverlaging, maar de vermindering wordt nu uitgedrukt in centen ten opzichte van de onroerende voorheffing.
Voor twee kinderen bedraagt ze 3.456 frank en ze loopt op tot 24.753 frank voor tien kinderen ten laste. Gehandicapte kinderen tellen dubbel.
Als de korting groter is dan de onroerende voorheffing, moet niets worden betaald.
Daarnaast is er een vermindering als je de woning volledig zelf bewoont én het totaal van de niet-geïndexeeerde kadastrale inkomens van je woningen in België niet meer dan 30.000 frank bedraagt. Dan spreekt de fiscus van een bescheiden woning en dat geeft recht op een vermindering van 25 procent van het kadastraal inkomen. Als het om een nieuwe of zelfgebouwde bescheiden woning gaat, wordt het kadastraal inkomen tijdens de eerste vijf jaar zelfs gehalveerd.
Het kadastraal inkomen kan ook worden verminderd als de woning ongemeubeld is en buiten de wil van de eigenaar minimum 90 dagen per jaar volstrekt niet gebruikt wordt en dus helemaal geen inkomsten genereert. Ook als de woning door omstandigheden buiten de wil van de eigenaar beschadigd werd en die beschadiging ten minste 25 procent van het kadastraal inkomen vertegenwoordigt.
In die gevallen volgt de korting natuurlijk niet automatisch maar moet ze worden aangevraagd. In bijlage verwacht de fiscus een bewijs dat de woning inderdaad onbewoond is geweest of beschadigd.
Samenwonen is in. Maar trouwen biedt juridisch veel meer zekerheid. Een tontinecontract kan het ongehuwd samenleven een stevige juridische basis geven en dramatische toestanden vermijden als een van beide partners overlijdt.
Oorspronkelijk is een tontinecontract -- genoemd naar de Italiaanse bankier Lorenzo Tonti (1630-1695) -- een soort lijfrenteverzekering. Verscheidene mensen brengen een kapitaal bijeen en verdelen de opbrengsten daarvan onder elkaar. Als een van hen sterft, blijft zijn aandeel in ,,de pot'' en wordt het eigendom van de overblijvenden. Bij het overlijden van de laatste -- die dan eigenaar is van het gehele kapitaal -- gaat het vermogen automatisch naar de overheid of naar een instelling die in het tontinecontract werd aangeduid.
Nu het aantal ongehuwd samenwonende paren snel toeneemt, wordt het tontinecontract ook opnieuw populair. Omdat ze voor de wet vreemden voor elkaar zijn, kunnen samenwonenden immers niet rechtstreeks van elkaar erven. Zij kunnen door een testament wel eigendommen aan elkaar doorgeven, maar daarop zijn zware erfenisrechten verschuldigd.
In Brussel en Wallonië bedraagt het tarief voor de eerste vijfhonderdduizend frank al 30 procent en boven het miljoen gaat al de helft naar de fiscus. Vlaanderen is sinds ruim twee jaar wat milder en past een ,,tussentarief'' toe (10 procent voor de eerste schijf van 3 miljoen) voor partners die ten minste drie jaar geregistreerd samenwonen en elkaar in een testament begunstigen. Wie minder lang samenwoont, of niet geregistreerd is, betaalt ook in Vlaanderen met gemak 45 procent en meer. Maar zelfs als je bereid bent te betalen, lost een testament niet alles op als er kinderen zijn. Die kinderen zijn bevoorrechte (reservataire) erfgenamen. Ze kunnen hun deel opeisen en daar verandert een testament niets aan. Een tontineclausule wel.
Zo'n clausule houdt eigenlijk in dat beide partners geld of eigendommen inbrengen en voortaan samen van de opbrengsten en/of het gebruik ervan genieten. Een tontine voor een huis is de meest bekende vorm. Beide partners brengen een deel van het geld in waarmee het huis wordt gekocht en in ruil daarvoor blijft de hele woning eigendom van de langstlevende of geniet die er tot aan zijn dood het vruchtgebruik van. Die langstlevende moet na het overlijden van de partner wel 12,5 procent registratierechten betalen op diens deel van het huis. Er zijn geen erfenisrechten verschuldigd.
In plaats van geld voor de aankoop van een huis kan je echter ook meubelen, aandelen, obligaties, schilderijen of andere dingen van waarde inbrengen en er een tontineclausule voor afsluiten. Je kan meubelen of schilderijen ook samen aankopen en met een tontine bepalen dat ze in handen blijven van de langstlevende. Ook hier kan die langstlevende de volle eigendom of alleen het vruchtgebruik krijgen.
Een tontinecontract met volle eigendom komt minder voor en houdt gevaren in als beide partners voordien gehuwd zijn geweest en nakomelingen (erfgenamen) hebben. Bij het overlijden van een van de partners wordt de langstlevende de enige eigenaar van het huis. Als ook hij/zij overlijdt, erven zijn/haar kinderen het huis. De erfgenamen van de partner die eerst overlijdt, werden dus onterfd.
Omdat niemand kan voorspellen wie eerst overlijdt, kan ook niemand voorspellen welke kinderen onterfd worden. En als je als ouder al kinderen wil onterven, is het toch weinig waarschijnlijk dat je het aan het toeval wil overlaten wie de ongelukkigen worden.
Die ,,ongelukkigen'' hebben in elk geval geen verhaal tegen een tontinecontract, tenzij er geen minimum aan evenwicht is. Een tontine is in princiep slechts geldig als de ondertekenaars ongeveer even oud zijn, zodat de kansen dat de ene voor de andere overlijdt ongeveer even groot zijn. Leeftijdsverschillen kunnen echter opgevangen worden door een grotere inbreng van de jongste partner. In de praktijk kan daardoor een leeftijdsverschil van 10 tot 15 jaar worden overbrugd.
Een tontinecontract biedt veel mogelijkheden. De notaris kan ervoor zorgen dat het contract aangepast is aan je individuele situatie. De kostprijs ligt tussen 10.000 en 15.000 frank.
Kunst is in. Kijk maar in de Ikea-rekken. Reproducties van bekende en minder bekende schilderijen gaan er als zoete broodjes over de toonbank. Maar niet iedereen neemt vrede met een kopie. Er zijn ook particulieren die een échte Keith Haring tegen hun muur hebben hangen. Of een ets van Félicien Rops. Een buste van Rik Wouters in de hal? Of liever iets klassiekers? Een Mingvaas bijvoorbeeld, of een echt Vlaams wandtapijt. Geweldig natuurlijk, maar doe je na zo'n aankoop nog een oog dicht? Dreigt de kunstminnaar geen neuroot te worden die enkel nog oog heeft voor de beveiliging van zijn kostbare doeken of beelden? Kan je kunst overigens effectief verzekeren?
WAARDEVOLLE spullen bezitten'', zegt Eric Hemeleers, ,,moet een plezier blijven''. En hij kan het weten. Als algemeen directeur van het gespecialiseerd makelaarskantoor Leon Eeckman beweegt hij zich dagelijks in het spanningsveld tussen esthetisch genoegen en beveiliging, tussen cultuur en economie.
Het begint allemaal met de vraag naar de waarde van een kunstwerk. En dat kan wel eens tegenvallen. ,,Vooral bij erfenissen durft de sentimentele waarde wel eens hoog boven de werkelijke uitstijgen. En dan is het niet altijd evident om nog treurende nabestaanden te moeten vertellen dat het schilderij dat ze altijd boven de ouderlijke haard hebben weten hangen, nauwelijks meer waard is dan de som van het canvas en de lijst.''
Verzekeraars hebben twee manieren om ergens een prijskaartje aan te hangen. Ofwel werken ze met de ,,aangegeven'' waarde, zoals opgegeven door de verzekerde zelf, ofwel wordt in onderling overleg tussen verzekeraar en verzekerde een ,,aangenomen waarde'' vastgesteld.
Welke prijs plak je op een gotisch beeldje? Voor hoeveel verzeker je een doek van Edgard Tytgat? Wat is de economische waarde van een verzameling oude gouden munten? Het kan in de meeste gevallen enkel door een expert uitgemaakt worden. Daarom werken makelaars als Eeckman voor kunstverzekeringen altijd in aangenomen waarde.
Elke kunststroming, elke periode in de geschiedenis ook, heeft eigen karakteristieken. Je stuurt de specialist van de Cobraperiode dus niet op een Ensor af, en de man of vrouw die opgegroeid is tussen het Chinees porselein, heeft niet noodzakelijk verstand van een collectie Delfts aardewerk.
Bovendien leidt elk van die kunststromingen dan nog eens een eigen leven. Wie in de jaren negentig een stuk van Gilbert en George kocht, zal nu vaststellen dat zijn investering een stuk meer waard is geworden. Omgekeerd is werk van de hier minder bekende Britse kunstenares Rachel Whiteread duidelijk in waarde gezakt.
Om te vermijden dat voorwerpen onder- of oververzekerd zijn, worden ze om de twee jaar opnieuw geschat. De klant kiest zelf de expert, maar hij moet wel voorkomen op het lijstje dat Eeckman hem bezorgt. ,,Doorgaans kunnen we keuze bieden uit een drietal namen.''
De waarde bepalen is een noodzakelijke voorwaarde om kunst te verzekeren, maar ze is lang niet voldoende. De verzekeringspremie voor een schilderij van Gust De Smet, dat geraamd wordt op meer dan 100.000 euro, zal heel wat lager liggen als het werk degelijk beveiligd is en als geen onnodige risico's genomen worden.
Hangt het schilderij in een vertrek langs de voorkant van een huis, waardoor het duidelijk zichtbaar is van op de straat, dan zal de premie een stuk hoger liggen - zelfs als er elektronische beveiliging is - dan als het discreet opgehangen is in een bibliotheekruimte op de verdieping.
Denk overigens niet te snel aan elektronische alarmsystemen als het over beveiliging gaat. Degelijke rolluiken bijvoorbeeld zijn volgens Hemeleers zeker zo efficiënt, in sommige gevallen zelfs veel effectiever dan een batterij sensoren en sirenes die bij het minste aan het loeien gaan.
Maar hoe weet je of de beveiliging ook gebruikt wordt? De knapste systemen zijn waardeloos als ze niet geactiveerd worden. Wat heb je aan rolluiken die nooit neergelaten worden? Of aan de meest gesofistikeerde veiligheidsdeuren als de sleutels niet omgedraaid zijn?
,,Daarom is het eerste contact met een mogelijke klant zo belangrijk. Het is veel meer een kennismaking met de mens dan met zijn kunstcollectie. ,,Vroeger wilden we altijd graag weten hoe iemand bij ons terechtkomt. De jongste jaren is het belang daarvan afgenomen. Wie op het internet kunst en verzekeren ingeeft, belandt al snel bij Eeckman.''
,,Het eerste gesprek blijft echter belangrijk om te peilen naar de verhouding tussen de klant en zijn collectie, en naar het belang dat hij zelf hecht aan beveiliging. Vanaf een te verzekeren waarde van 75.000 euro gaan we alleszins ter plaatse kijken hoe de collectie gehuisvest is.''
,,Ik besef dat dat een erg lage drempel is'', zegt Hemeleers. ,,De meeste makelaars of verzekeraars komen pas bij veel hogere bedragen van achter hun bureau. Maar onze 'loss ratio', de verhouding tussen de uitgekeerde vergoedingen en de premie-inkomsten, ligt dan ook rond 22 procent, tegen een Europees gemiddelde van 55 procent.''
,,Als wij peilen naar het profiel van de verzekerde, is dat niet alleen met de beveiliging in het achterhoofd. We kijken ook naar de zorg die iemand besteedt aan zijn kunstcollectie, hoe bescheiden ook. Staat zijn Mingvaas in een gang waar dagelijks heel wat mensen langs lopen en het risico op omstoten niet gering is? Zijn de schilderijen stevig opgehangen? Wordt er aandacht besteed aan temperatuur en luchtvochtigheid?''
Pas als de makelaar een goed beeld heeft van de klant, van de aard van de te verzekeren voorwerpen, van de omstandigheden waarin de werken zijn opgesteld en van de marktwaarde ervan, kan hij een premiebedrag bepalen. Het is volgens Hemeleers daarom niet evident om een representatief voorbeeld te geven.
,,Reken voor een klassieke collectie van enkele beelden en schilderijen, met degelijke mechanische beveiliging en een alarminstallatie, op een jaarpremie van 2 tot 3 euro per 1.000 euro waarde die verzekerd moet worden. Zilver is delicater, want bij brand is de schade snel veel groter. Reken dan maar op 5 tot 6 euro per 1.000. Nog delicater zijn juwelen, zeker als ze bovendien gedragen worden. Dan hebben we het al gauw over 13 euro per 1.000 euro te verzekeren waarde.''
Een collectie schilderijen van minder bekende meesters of wat bronzen beeldjes met een totale waarde van pakweg 500.000 euro verzeker je dus voor 1.000 tot 1.500 euro per jaar.
Is dat veel of weinig?
,,Tja'', geeft Hemeleers toe, ,,zolang er geen schade is, verkoop ik u wind. Of neen, eigenlijk niet: ik verkoop vertrouwen. Want daar draait het om. De meeste van onze klanten zijn ook voor klassieke risico's bij ons verzekerd, inclusief de woning zelf. Op die manier kunnen wij een polis aanbieden waarbij echt alle risico's gedekt zijn, behalve de uitzonderingen die expliciet vermeld worden.''
,,Geen discussies dus of die grafiek van Raveel wel verzekerd was tegen aardbevingen toen hij van de muur donderde en beschadigd werd. En de collectie Delfts porselein, die bij een ordinaire inbraak door onwetende dieven tot een hoopje scherven werd herleid, ook die schade wordt vergoed.''
Zijn de eerste tranen gedroogd? De schriften en boeken gekaft? Genieten je kinderen morgen van hun eerste weekeinde sinds de scholen hun poorten weer hebben geopend? Dan is het nu tijd voor de zakelijke kant van het schoolgaan. Wie draait er op voor de kosten als je kind een ongeval heeft op school, of er een veroorzaakt? Is een bijkomende verzekering noodzakelijk? Of volstaat de verzekering van de school?
EEN voetbal in het gezicht, een ongeval tijdens de turnles, een vinger tussen de deur, een uit de hand gelopen ruzie in de klas of op de speelplaats,... Het is snel gebeurd en de gevolgen kunnen gaan van vervelend - bril kapot, verstuikte enkel, gescheurde kleren,... - tot dramatisch - glas in het oog, vingers voor het leven verminkt, een nekslag met bijhorende levenslange aanvallen van migraine,...
Nagenoeg alle scholen hebben een verzekering afgesloten die zowel de aansprakelijkheid van de school, leraars en leerlingen dekt als de lichamelijke schade die kinderen op school kunnen oplopen.
De verzekering burgerlijke aansprakelijkheid dekt de kosten als aan de basis van een ongeval een duidelijke fout ligt. Dat kan gaan van onvoldoende toezicht en/of begeleiding tijdens de turnles waardoor iemand zijn of haar arm breekt, tot een opvoeding die volgens de rechter te wensen overlaat omdat zoon- of dochterlief een vechtpartij heeft uitgelokt met een medeleerling.
In het eerste geval betaalt de verzekering van de school, in het tweede geval worden de ouders verantwoordelijk geacht en zal de eigen gezinsverzekering, de ,,familiale'', moeten tussenbeide komen. Soms (vaak?) zal de verantwoordelijkheid over diverse partijen verdeeld liggen.
Neem het geval van kinderen die tijdens de avondstudie de schoolbibliotheek binnendringen en hun aversie voor een auteur botvieren op een hele plank met boeken van zijn hand. Ze stoken er een vuurtje mee en zorgen dus ook nog eens voor rookschade aan andere boeken.
Uiteraard ligt de schuld in de eerste plaats bij de kinderen zelf, maar omdat ze minderjarig zijn, vallen zij onder de verantwoordelijkheid van hun ouders. En dan rijst het vermoeden dat de opvoeding onvoldoende respect voor andermans eigendom bijbracht.
Verder is de toezichthoudende leerkracht verantwoordelijk voor de afwezigheid van de kinderen uit de avondstudie en kan de school zelf worden aangewreven dat de bibliotheek vrij en zonder toezicht toegankelijk is.
De verzekeringsmaatschappijen zullen onderling moeten uitmaken wie welk deel van de schade betaalt. Eventueel moet de rechter knopen doorhakken.
Belangrijk bij dit alles is dat niet iedereen zijn ,,paraplu'' opentrekt zodat de verzekeringsmaatschappij(en) uiteindelijk besluit(en) dat niemand een fout maakte en dat het slachtoffer in de kou blijft staan. Vaak durven de betrokken partijen zelfs geen beroep doen op de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid, omdat daardoor iemand de ,,schuld'' van het ongeval krijgt.
Inderdaad: iemand krijgt dan de schuld. Maar alleen de burgerlijke schuld, niet de strafrechtelijke of de morele. Aan het bekennen van schuld hangen dus geen boetes vast, laat staan gevangenisstraf. En als er al een boete zou worden opgelegd, betaalt de verzekering die. Scholen, directeurs en leerkrachten moeten dus echt niet bang zijn om hun eventuele schuld te erkennen.
Ouders van hun kant moeten ook niet aarzelen om een juridische procedure te starten als zij vinden dat de school of een van haar personeelsleden ten onrechte ontkent dat zij in de fout zijn gegaan. De eventuele procedurekosten moeten je niet afschrikken, want die worden gedekt door het luik rechtsbijstand van de eigen familiale verzekering.
Want als geen schuldige wordt gevonden - omdat de ouders de zaak maar zozo laten of omdat echt niemand in de fout ging - moeten de betrokkenen terugvallen op de verzekering tegen lichamelijke ongevallen. Die biedt niet alleen een minder ruime dekking dan haar burgerlijke tegenhanger, de school is bovendien niet verplicht er een af te sluiten.
Vaak zijn er natuurlijk ongevallen waarbij echt niemand een aantoonbare fout heeft gemaakt. Tijdens een partijtje voetbal struikelt een van de kinderen en breekt daarbij een been. Niemand kan daarvoor met de vinger worden gewezen. Dus komt de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid niet tussen.
Gelukkig hebben de meeste scholen ook een verzekering lichamelijke schade afgesloten. Zoals de naam het zegt, dekt die enkel lichamelijke schade. Kapotte brillen, gescheurde kleren en beschadigd schoolmateriaal worden niet vergoed. Maar erger nog is dat ook de vergoeding van lichamelijke schade vaak slechts zeer gedeeltelijk is. In een aantal gevallen wordt minder dan de helft van de kosten terugbetaald.
Alle scholen van het gemeenschapsonderwijs zijn verzekerd bij Ethias, het vroegere Omob. De meeste katholieke scholen hadden vroeger langs het interdiocesaan centrum een contract met Winterthur. De jongste jaren is daar echter meer variatie in gekomen. Maar de meeste instellingen zijn nog steeds onder dak bij die Zwitserse verzekeraar.
De verzekering burgerlijke aansprakelijkheid is verplicht, de verzekering lichamelijke schade niet. Maar de meeste scholen bieden de leerlingen en hun ouders beide verzekeringen aan.
Volgens onderzoek van Test-Aankoop verbetert de kwaliteit van de aangeboden polissen. Ethias en KBC krijgen ronduit een ,,uitstekend'' als het over de dekking gaat van de aansprakelijkheid van de leerkrachten. Fortis en Axa doen het gewoon ,,goed''.Als de school bij een van die maatschappijen verzekerd is, heeft het voor leerkrachten weinig zin een bijkomende verzekering burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten.
Vanuit het standpunt van de ouders liggen de zaken wat minder goed, hoewel ook daar duidelijk vooruitgang is geboekt, zeggen de specialisten van Test-Aankoop. Twee zwakke punten blijven echter: de dekking van ,,roekeloze daden'' en ,,opzettelijke fouten''.
De meeste polissen sluiten de verzekering uit van ongevallen die het gevolg zijn van weddenschappen of uitdagingen waarop werd ingegaan, kortom van handelingen waarbij bewust risico werd genomen.
Vaak zijn ook opzettelijke fouten maar tot een zekere leeftijd verzekerd. Een leerling van 17 jaar die een andere te lijf gaat, wordt geacht te weten wat hij doet en is verantwoordelijk voor zijn daden. Een kind van zeven beseft de gevolgen van zijn daden meestal nog niet voldoende. Daartussen gaapt een grijze zone.
De betere contracten dekken dit soort aansprakelijkheid tot de leerling 16 jaar oud is geworden. De mindere polissen beperken de waarborg tot de ,,leeftijd van onderscheidingsvermogen''.
Als de verzekering van de school te wensen over laat, kan het interessant zijn om naast de eigen familiale verzekering nog een individuele ongevallenverzekering af te sluiten. De premie voor zo'n verzekering ligt ergens tussen 50 en 60 euro per verzekerd familielid en geeft recht op een dekking van zowat 2.500 euro bij overlijden, 25.000 euro bij blijvende invaliditeit (75.000 euro als de invaliditeit 100 procent bedraagt), en betaalt de behandelingskosten tot ruim 6.000 euro terug.
Meestal dekt de polis alle risico's op ongevallen, ook als ze niets met de school te maken hebben, inclusief ongevallen met fietsen en bromfietsen en sportongevallen. Maar uiteraard kan de oudervereniging eerst vragen stellen over de schoolpolis en vragen dat eventuele tekortkomingen worden weggewerkt.
Opvallend is wel hoe uiteenlopend de houding van de scholen is tegenover hun verzekering. Sommige instellingen zetten zowat de hele polis op hun internetsite en voegen er zelfs nog uitleg aan toe, andere beperken zich tot de evidente vermelding dat de kinderen verzekerd zijn of tot een lijstje van de schade die niet verzekerd is.
BATIBOUW is jaar na jaar goed voor ruim 350.000 bezoekers, en ontketent meestal ook een renteoorlog op de markt voor woonkredieten. Banken en verzekeringsmaatschappijen horen elkaar in de weken voor de beurs nu dus om de oren te slaan met scherpe tarieven of speciale formules, waarbij ze enkele weken vrede nemen met zeer krappe winstmarges.
De voorbije jaren was daar echter niets van te merken. Het duurde blijkbaar een hele tijd voor de nare smaak van de negenendertigste editie van de bouwbeurs was weggespoeld. Begin 1999, toen de rente op de kapitaalmarkt bij het begin van het jaar een dieptepunt bereikte en voor Batibouw al opnieuw begon te stijgen, hebben de banken hun lesje geleerd. Ze leden verlies op menig contract omdat ze om commerciële redenen hun tarieven tijdens de beurs niet wilden optrekken.
Sindsdien was de ,,renteoorlog'' meer schijn dan werkelijkheid geworden. Het staat natuurlijk altijd goed dat banken elkaar beconcurreren om de klant de goedkoopste tarieven te bieden, maar dat bleek zuivere marketing, meer niet. Het is niet omdat de banken hun officiële tarieven op woonkredieten verlagen, dat de effectief toegepaste rentes ook veranderen.
Vaak gaat zo'n formele renteverlaging hand in hand met het toeknijpen van de kortingen die de bank toestaat. Wat is het verschil tussen een krediet tegen 5 procent waarop een korting van bijna een procentpunt wordt toegestaan, en een lening tegen 4,5 procent waar de bankier ,,gelet op de kersverse renteverlaging'' na lang onderhandelen nog hooguit een half puntje wil afdoen?
Maar dit jaar liggen de zaken duidelijk anders. De banken werken nu met extreem lage marges tegenover de marktrente. Het is haast onmogelijk dat ze er nog iets aan verdienen. Marktaandeel veroveren is het enige dat lijkt te tellen. De concurrentie is eindelijk terug in het land.
De beste tarieven op de markt zijn ronduit spectaculair. Een lening met jaarlijks aanpasbare rente voor 2,56 procent. Met een vaste rente en een looptijd van 15 jaar voor 3,58 procent. Verleng de duur tot 20 jaar en je betaalt 3,8 tot hooguit 4 procent. Het zijn veruit de laagste tarieven die ooit in de statistieken over woonkredieten zijn opgedoken, voor alle looptijden.
Vier maanden geleden, toen de eerste signalen werden opgevangen dat de banken de messen aan het wetten waren en opnieuw marktaandeel wilden veroveren, was het beste tarief voor woonkrediet met jaarlijks aanpasbare rente net onder de 3 procent beland. Wie 20 jaar lang met rust wilde gelaten worden, betaalde toen in het beste geval 4,6 procent.
Het wordt allemaal nog indrukwekkender als we kijken naar de gemiddelde kortetermijnrente van de jongste tien jaar. Die bleef net boven 3,45 procent hangen. De langetermijnrente komt uit op iets minder dan 5,3 procent. De hypotheektarieven liggen gemiddeld één tot anderhalf procentpunt hoger. Gemiddeld, want de jongste weken is het verschil marginaal geworden.
Voor de banken zijn die markttarieven richtinggevend bij het toekennen van een krediet. Waarom?
EEN financiële instelling, of ze nu groot is of klein, haalt een flink stuk van haar inkomsten uit de intermediatiemarge. Dat is een duur woord voor de winst die de bank maakt door geld zo goedkoop mogelijk aan te trekken en het zo duur mogelijk weer uit te lenen.
De term zegt wel goed wat de bank in essentie doet. Zij speelt de rol van tussenpersoon. Op de kapitaalmarkt zijn er voortdurend miljoenen beleggers die geld voor een tijdje willen afstaan in ruil voor een vergoeding. En niet minder gezinnen zijn op hetzelfde ogenblik op zoek naar kleine of grote kredieten, meestal om een huis te bouwen, maar steeds meer ook voor de aankoop van een auto, een televisietoestel, een wasmachine en zelfs om de jaarlijkse vakantie te betalen.
De bank brengt die twee partijen niet echt samen. Zij trekt geld van beleggers aan via allerlei producten, gaande van een zichtrekening over een spaarboekje of termijnrekening, tot kasbons en levensverzekeringsproducten, renteniersrekeningen,... Afhankelijk van de looptijd en van het risico dat de belegger wil nemen, biedt zij meer of minder rendement.
Anderzijds krijgt zij voortdurend klanten over de vloer die op zoek zijn naar ,,financiering'' zoals het aangaan van schulden eufemistisch heet. Om die kredieten te verlenen, put de bank uit de middelen die zij dankzij de spaarders ter beschikking heeft. Zij doet daarbij niet alleen aan looptijdtransformatie (langetermijnkredieten financieren met geld dat van spaarboekjes komt), maar zorgt er ook voor dat veel kleine spaarpotjes voldoende middelen opleveren voor één groot krediet.
De bank speelt daarmee een economisch belangrijke rol. Maar die rol heeft een prijs. Wie een krediet krijgt, betaalt immers mee voor de honderden kantoren die de bank openhoudt, voor de duizenden loketbedienden, voor de beleggingsadviseurs, de kredietanalisten, studiediensten, commerciële afgevaardigden, vermogensbeheerders,...
Die kosten moeten niet alleen vergoed worden, de bank wil ook winst maken en een vergoeding krijgen voor het risico dat ze bij dat alles loopt. Ze zou ook eenvoudig geld kunnen aantrekken en het volledig beleggen in schatkistcertificaten of staatsleningen. Geen gedoe met lastige klanten, niet-gehaalde vervaldagen, hypotheekleners die zonder werk vallen en hun verplichtingen niet meer kunnen nakomen,
Daarom kijken de banken niet zozeer naar de rente die ze zelf uitbetalen, maar veeleer naar bepaalde referentietarieven. Voor woonkredieten met een jaarlijks aanpasbare rente bijvoorbeeld, zijn dat de schatkistcertificaten met een looptijd van één jaar. Zij vormen voor de bank het risicoloos alternatief voor het verlenen van een krediet.
Momenteel schommelt het rendement van die certificaten rond 2,2 procent. Daar moet de bank 0,5 tot 0,6 procentpunt bij tellen om de kosten te dragen die ze maakt om het risico van een plotse rentestijging te dekken. Voeg daar nog wat administratie- en algemene kosten aan toe, en de rente op een woonkrediet moet toch zeker 3 procent bedragen als je nog een minimale winst wil maken.
Maar dat halen de banken niet. Verlies dus. Tijdelijk weliswaar, want ze willen marktaandeel veroveren en klanten binnenhalen aan wie ze nadien andere producten - wel met een stevige winst - kunnen verkopen. Gouden tijden dus voor kandidaat-(ver)bouwers of -kopers die zich nadien niet te gemakkelijk laten verleiden door de marketingafdeling.
Vlotweg tienduizend frank per jaar minder uitgeven zonder daarvoor ook maar iets te moeten missen? Voor heel wat mensen is dat een fluitje van een cent. Alleen: ze weten het niet. Het geheim? Verander van autoverzekering.
We moeten beginnen met een bekentenis: we zaten tot voor kort ook met al onze verzekeringspolissen bij één en dezelfde maatschappij. Makkelijk, nietwaar? Tot we een aanbod in de bus vonden om vrijblijvend een offerte aan te vragen voor een autoverzekering.
Doorgaans gaat dat soort marketingbriefjes prompt de prullenmand in. Persoonlijke gegevens in ruil voor een offerte en vanaf dan de ene mailing na de andere op je nek krijgen? Neen bedankt.
Was het een moment van zinsverbijstering? De voorzienigheid? Of zaten we gewoon verveeld met weer eens opgetrokken verzekeringspremie wegens geen garage en stadsbewoner? Feit is dat de aanvraag ingevuld en teruggestuurd raakte. En we hebben het ons nog geen moment beklaagd.
Binnen de week kregen we een offerte voor een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid, een volledige omnium en een dienstenpakket waarbij de bestaande verzekering in het niet verdween voor net geen tienduizend frank minder dan onze bestaande polis.
Enkele maanden later konden we (jammer genoeg) ondervinden hoe sterk de dienstverlening wel is. We beschikten binnen het uur, op de plaats van het ongeval en volledig gratis over een vervangwagen. En terwijl wij onze weg konden voortzetten werd onze beschadigde wagen door de diensten van de verzekeraar gratis naar de garage gesleept.
Omdat we aanvaardden de herstellingen te laten uitvoeren in een door de verzekeraar aangeduide garage, werd de factuur niet alleen rechtstreeks naar de verzekeraar gestuurd (we moesten het bedrag dus niet eerst zelf betalen) maar kregen we ook nog tienduizend frank korting op de franchise.
Niets dan winst dus. Maar hoe vind je zo'n ,,droomverzekeraar''? En overigens: is dit echt wel de beste? Misschien zijn er nog interessantere maatschappijen op de markt.
Organisaties als de Verbruikersunie proberen al jaren de consument te begeleiden op zijn zoektocht in de jungle van het aanbod op allerlei markten, ook die van de verzekeringen. Het nadeel is ongetwijfeld dat je nooit weet wat het verzekeren van jouw auto zal kosten bij een andere maatschappij. Vergelijken met wat je nu betaalt, is dus moeilijk.
Offertes aanvragen kost je enkele postzegels, maar vooral je privacy. Dus daar begint de bewuste consument liever niet aan. Een gat in de markt dus. En daar is AssurWeb zonet ingesprongen. Binnen enkele maanden gevolgd door Eccent.
AssurWeb is het eerste bedrijf in ons land dat een site op het Internet heeft gecreëerd waar consumenten een gepersonaliseerde verzekeringsofferte kunnen aanvragen bij verscheidene maatschappijen tegelijk. Van bij de start zijn dat Omob, Touring Verzekeringen, Actel Direct (P&V) en Corona. Tegen het einde van het jaar hoopt AssurWeb met een tiental maatschappijen te werken.
Het grote voordeel van de formule is dat je persoonlijke gegevens, je e-mailadres,... door AssurWeb elektronisch worden ,,afgeplakt'' zodat je privacy gerespecteerd blijft en je maar één keer al de gegevens van je auto, je huis,... moet doorgeven om snel een reeks offertes te hebben van verzekeraars die meewerken.
De vraag is wel wat ,,snel'' betekent. Onze aanvraag voor een offerte werd dinsdag rond 5 uur in de namiddag verstuurd, maar afgezien van een e-mail waarin de aanvraag bevestigd werd, was er gisteravond nog geen spoor van aanbod vanwege de maatschappijen. Overigens blijkt AssurWeb voorlopig slechts met twee verzekeraars te werken: Omob en Corona. Van Touring en P&V vonden we wel de logo's, maar zij bieden nog geen offertes aan.
AssurWeb rekent de klant niets aan maar krijgt een vaste vergoeding van de verzekeraars per aangebrachte offerteaanvraag. Voorlopig worden alleen autoverzekeringen behandeld, maar daar worden zo snel mogelijk ook woning-, reis-, gezins- en rechtsbijstandsverzekering aan toegevoegd. Op de website zijn de icoontjes al te zien, maar nog niet geactiveerd.
AssurWeb en Eccent zijn geen directe verzekeraars. Het zijn bedrijven die een onafhankelijk informatieplatform bieden waarmee zij blijkbaar een positie ambiëren die vergelijkbaar is met die van de immotheker op de markt van de woonkredieten.
Besparen op je verzekeringen. We hadden het er vorige week al over. Naar aanleiding van de lancering van Assurweb.be, de internetsite waarop je (voorlopig enkel) autoverzekeringen met elkaar kan vergelijken (DS 21 april). Maar er zijn nog andere domeinen in de verzekeringssfeer waar ruimte kan zijn voor besparingen zonder kwaliteitsverlies. Als je tenminste geen speciale risico's loopt.
De ene verzekering is de andere vaak niet. Bijgevolg is niet enkel de hoogte van de premie belangrijk. Bij een woningverzekering bijvoorbeeld moet je nagaan welke dekking geboden wordt. Is schade door een aardbeving verzekerd? Wordt de volledige schade aan woning en/of inboedel vergoed als je de woning niet op dezelfde plaats laat heropbouwen? Hoe wordt het ,,verval'' (de natuurlijke slijtage) van de woning in rekening gebracht...?
Hetzelfde geldt voor de verzekering ,,eigen schade'' (omnium) van een auto. Welk deel van de schade moet je zelf betalen (franchise)? Werkt de maatschappij met een systeem van ,,overeengekomen waarde'' of speelt de ,,verkoopwaarde'' als je auto gestolen wordt of na een ongeval onherstelbaar wordt verklaard? Is in een vervangwagen voorzien? Moet je de garagefactuur eerst zelf betalen of mag ze rechtstreeks aan de verzekeraar worden geadresseerd...?
Bij dit soort verzekeringen moet dus een globale afweging worden gemaakt van de geboden voordelen, het belang dat je daaraan persoonlijk hecht en de prijs die je ervoor moet betalen. Vergelijken wordt daardoor een hoogst persoonlijke zaak.
Maar er zijn ook andere verzekeringen. Verzekeringen waarbij de kwaliteit een minder grote rol speelt, gewoon omdat ofwel de (belangrijkste) bepalingen van de polis wettelijk vastliggen ofwel omdat die bepalingen zo eenduidig en ondubbelzinnig zijn dat voor de meeste mensen niet echt van kwaliteitsverschillen kan worden gesproken.
In die gevallen wordt de prijs het belangrijkste criterium. Je zou denken dat de concurrentie er dan voor zorgt dat de prijzen heel dicht bij elkaar liggen, maar niets is minder waar.
Een van de meest opvallende voorbeelden is de schuldsaldoverzekering. Die verzekering moet ervoor zorgen dat de nog uitstaande hypotheekschuld meteen wordt afgelost als de ondertekenaar overlijdt. De dood is objectief vaststelbaar. Geen discussies, er wordt betaald.
Toch betaalt een dertigjarige niet-roker voor een verzekerd bedrag van 2 miljoen frank en een looptijd van 20 jaar een jaarlijkse premie van dik 2.200 frank bij de goedkoopste maatschappij op de Belgische markt en meer dan 4.500 frank per jaar bij de duurste.
Bij de meeste schuldsaldoverzekeringen betaal je gedurende 13 jaar premies. Als je veronderstelt dat het uitgespaarde geld jaarlijks 3,5 procent zou opbrengen, bespaar je ruim 37.000 frank door te opteren voor de goedkoopste formule.
De familiale verzekering is een ander voorbeeld, net als de woningverzekering ,,eenvoudige risico's''. In beide gevallen heeft de wetgever een aantal minimumgaranties vastgelegd die verzekerd moeten zijn. Wie daar vrede mee neemt, moet enkel nog naar de prijs en eventueel de kwaliteit van de dienstverlening kijken.
Besluit echter niet te snel dat je geen abnormale risico's loopt. Is waterschade verzekerd als je aquarium of je waterbed het begeeft? Valt een breuk in de stookolieleiding ook onder ,,waterschade''? Of zijn andere vloeistoffen niet verzekerd? Valt een breuk in de plexikoepels waarmee je licht binnenhaalt in de traphal onder ,,glasbreuk'' of niet? Dekt de familiale verzekering ook dat ongeval met de jetski die je zoon tijdens zijn vakantie een uurtje gehuurd heeft? Tot welk bedrag ben je verzekerd als je kinderen betonblokken op de treinsporen hebben gelegd?
De prijzen zijn de jongste twee jaar weliswaar in elkaar gezakt, maar toch kost een computer voor persoonlijk gebruik (een pc) nog snel 35.000 frank. Wie ook multimediatoepassingen wil kunnen draaien komt al gauw boven de 50.000 frank uit en als je grafische programma's en de bijbehorende schermkwaliteit nodig hebt, nadert de 100.000 frank razendsnel. En dan vreet een virus zich een weg naar je harde schijf of een ander vitaal onderdeel... en stuurt de verzekeraar je wandelen.
Een pc is natuurlijk niet het enige dure toestel dat je in huis hebt. Er zijn ook de televisie, de koelkast, ceramische kookplaten, vaatwasser, wasmachine, droogkast,... Maar geen van die toestellen is zo kwetsbaar als een pc. Eén grapjas aan de andere kant van de wereld, met niet meer dan wat gewone pc-programmatuur, volstaat om de wereld op zijn kop te zetten.
Eigenlijk is je pc dubbel kwetsbaar. Enerzijds heb je virussen -- zoals het I love you- exemplaar dat de voorbije twee weken lelijk heeft huisgehouden -- die bestanden en/of software ,,aanvallen''. Anderzijds heb je varianten die het op de hardware, de computer zelf, gemunt hebben. In sommige gevallen werd de harde schijf onherstelbaar beschadigd of ,,brandde'' een virus de beeldbuis vol gaatjes...
En wat zeggen de verzekeraars? ,,Het spijt ons mijnheer, mevrouw. Wij verzekeren geen particulieren tegen virusproblemen op pc's.'' Niet in België, en evenmin in het buitenland. Het klinkt misschien hard, maar het is niet onlogisch als je even doordenkt.
Bij bedrijven kan de verzekeraar een analyse maken van de beveiligingssystemen die geïnstalleerd werden, het risico inschatten, en een offerte maken voor het verzekeren van de tientallen, zo niet honderden pc's die in het netwerk staan. Bij particulieren valt daar niet aan te beginnen. De analyse en het opstellen van de gepersonaliseerde offerte zou op zich al een kwart van de aankoopprijs van een modale pc opslorpen.
Reservekopie
Het is natuurlijk frustrerend, maar ook tegen je eigen stommiteiten ben je niet verzekerd. Wie per ongeluk een bestand overschrijft en daardoor de diamontages van de jongste gezinsvakanties kwijtraakt, kan alleen maar boos zijn op zichzelf. En er de volgende keer misschien aan denken een reservekopie te maken. Voor beeldmateriaal heb je een cd-writer nodig (die kost al snel 12.000 frank), maar voor tekstbestanden volstaat een pakje floppy's.
En de pc zelf? Die is bij de meeste maatschappijen automatisch opgenomen in de brand- en in de diefstalverzekering. Als een virus je bestanden opvreet, onleesbaar maakt,... wordt het echter weer vloeken, want de verzekeraar stuurt zijn kat.
Maar stel nu even dat een pc-verzekering, inclusief een anti-virusclausule, mogelijk zou zijn. Heeft zo'n verzekering zin? Het antwoord is ontegensprekelijk: neen.
Je computer veroudert met een sneltreinvaart. Waar een televisietoestel van 35.000 frank met wat geluk tien jaar of langer meegaat, en in die periode technologisch niet echt veroudert, is je computer na vier tot vijf jaar al verouderd. Erger nog, je kan er vaak na twee of drie jaar al geen vervangstukken meer voor krijgen.
Tijd om een pc echt af te schrijven is er dus nauwelijks. Als je er de winkel mee uitloopt, is de waarde van een modale pc al meer dan gehalveerd en na twee jaar spreek je alleen nog over schrootwaarde. Maar dat betekent niet dat de pc voor de gebruiker geen waarde meer heeft. Die wil toch ten minste een jaar of vijf met zijn toestel werken alvorens het te vervangen.
De verzekeraar heeft daar geen boodschap aan. Ook je auto verliest economisch sneller zijn waarde dan je zou willen. Alleen ligt de snelheid waarmee de waarde van een pc daalt zo hoog, dat de jaarlijkse verzekeringspremie al snel de waarde van de computer (en bijgevolg de vergoeding die je krijgt bij total loss) zou evenaren of zelfs overtreffen.
Het is met pc's als met seks. Verstandig zijn (geen floppy's of cd's van anderen in je pc stoppen) kan veel miserie voorkomen.
Wie dat in de huidige informaticacultuur te lastig vindt, moet voorzichtig zijn en regelmatig back-ups maken. Rekenen op je ouders (de verzekeraar) heeft geen zin en lost fundamenteel niets op.
Sinds kort heeft Vlaanderen een heuse zorgverzekering. Maar wat mag u daarvan verwachten ? En welke zijn de privé alternatieven ?
1. De Vlaamse zorgverzekering
Na jarenlang gepalaver is de Vlaamse zorgverzekering vorig jaar dan toch uit de startblokken gegaan. Het voornaamste punt van kritiek op deze verzekering is evenwel dat de uitkeringen te laag blijven om de financiële problemen van zware zorgbehoevenden daadwerkelijk te verlichten. Zorgbehoevenden die thuis verblijven, kunnen aanspraak maken op een uitkering in cash van 75 euro per maand wanneer ze worden verzorgd door familie of vrienden buiten het professionele circuit, zogenaamde mantelzorgers. Thuiswonenden zorgbehoevenden die een beroep doen op professionele hulp hebben recht op een zorgcheque ter waarde van 85 euro per maand. En wie zowel beroep doet op mantelzorgers als op hulpverleners uit het professionele circuit heeft recht op een tegemoetkoming van 125 euro. Sinds oktober van dit jaar worden ook uitkeringen betaald aan zorgebehoevenden die in een rust- of verzorgingstehuis verblijven. Zij kunnen een tegemoetkoming van 165 euro per maand krijgen. In vergelijking met de werkelijke kosten van zorgbehoevende bejaarden zijn deze uitkeringen niet meer dan een aalmoes. Wie in een bejaardentehuis verblijft, is al snel 1.000 à 1.250 euro per maand kwijt. En voor zorbehoevenden die thuis blijven, komen de zorgkosten al snel op 250 à 375 euro per maand (gezinshulp, warme maaltijden, kinesitherapie, huur personenalarm, enzovoort_), zo blijkt uit studies.
Organisatorisch draait bij de zorgverzekering alles rond de zogenaamde zorgkassen. In de praktijk worden deze zorgkassen georganiseerd door de ziekenfondsen, evenals door een aantal verzekeraars (DKV, De Vaderlandsche, KBC, Fortis en AGF). Deze zorgkassen moeten instaan voor het innen van de bijdragen van hun leden, het verdelen van de zorgcheques, het afhandelen van de schadedossiers, enzovoort. Elke Vlaming vanaf 25 jaar is verplicht lid te worden van een zorgkas naar keuze en moet daaraan de vastgestelde bijdrage betalen van 10 euro per jaar. Meent u in aanmerking te komen voor een uitkering dan kan u daarvoor eveneens bij uw zorgkas terecht.
2. De privé alternatievenSinds een aantal jaren komen steeds meer verzekeraars op de markt met een privé-zorgverzekering. In 1992 beten DKV en Mercator & Noordstar de spits af. Sindsdien kwamen daar nog een tiental andere verzekeraars bij met gelijkaardige verzekeringen. Ondertekent u zo'n private zorgpolis, dan verzekert u daarmee een vooraf bepaalde maandelijkse rente die u ontvangt zodra u afhankelijk wordt. De hoogte van die maandrente kunt u zelf kiezen. U kunt zich bijvoorbeeld verzekeren voor een maandrente van 500 euro. Zodra u volledig afhankelijk wordt, ontvangt u die maandrente levenslang. Bij gedeeltelijke afhankelijkheid ontvangt u bij de meeste verzekeraars slechts een gedeelte van de verzekerde rente. Om de graad van hulpbehoevendheid te meten, gaan de meeste verzekeraars uit van de zogenaamde schaal van Katz, genoemd naar de Amerikaanse gerontoloog die deze metingsschaal opstelde, of van een soortgelijk metingssysteem. Deze systemen gaan uit van verschillende criteria, zoals zich wassen, zich kleden, zich verplaatsen, zelfstandig eten, toiletbezoek en het al dan niet continent zijn.. De afhankelijkheidsscore moet worden vastgesteld door de huisarts van de verzekerde, eventueel gecontroleerd door de controlearts van de verzekeraar.
Naast dit gemeenschappelijk uitgangspunt vertoont de verdere uitwerking van de verschillende verzekeringen tal van verschillen. De meeste maatschappijen gaan uit van het principe dat de premies volledig verloren zijn wanneer de verzekerde nooit afhankelijk wordt. Net zoals bij een brandverzekering dus. Brandt uw huis nooit af, dan zijn de premies verloren. Hiervoor kan u terecht bij verzekeraars als De Vaderlandsche, KBC en DKV. Wil u als 60-jarige vrouw een maandrente van 500 euro verzekeren dan moet u rekenen op een eenmalig te betalen premie van om en bij de 6.000 euro, afhankelijk van maatschappij tot maatschapij. In sommige gevallen kan u ook kiezen voor levenslang te betalen jaarpremies van ongeveer 500 euro.
Een aantal verzekeraars dokterde evenwel een systeem uit waarbij de betaalde premie niet volledig verloren gaat wanneer de verzekerde overlijdt zonder ooit afhankelijk te zijn geweest. Bij Fortis en Securex zit de afhankelijkheidsdekking vervat in een globale belegging. De minimumbelegging komt hierbij al snel op om en bij de 25.000 euro. Mercator & Noordstar hanteert een ietwat ander systeem maar garandeert eveneens dat de betaalde premie wordt gerecupereerd wanneer u nooit rentes heeft ontvangen. Hier moet u rekenen op een eenmalige premie van ongeveer 6.500 euro. Bij P&V, Zelia en Winterthur is er dan weer een overlijdensdekking gekoppeld aan de verzekering die waarborgt dat uw premies niet volledig verloren zijn wanneer u overlijdt zonder ooit afhankelijk te zijn geweest. De eenmalige jaarpremie voor een 60-jarige vrouw die een rente van 500 euro wil verzekeren ligt hier rond de 6.500 à 8.000 euro. Bent u er bezorgd over dat de koopkracht van deze rente al te zeer zal afgenomen zijn tegen de tijd dat u mogelijk recht heeft op een uitkering, dan kan u de uitkeringen ook laten indexeren. Daardoor verhoogt uiteraard wel de te betalen premie.
Tips voor het kiezen van de juiste uitvaartverzekering
Meestal zijn uitvaartverzekeringen niet interessant. Heeft u het geluk nog lang te leven dan betaalt u wellicht meer aan premies dan wat uw erfgenamen later aan kapitaal ontvangen. Wil u toch zo'n verzekering afsluiten omdat u financiële problemen vreest bij uw overlijden ? Zorg er voor dat u de minst slechte polis kiest. Volgende tips kunnen u helpen bij het maken van een keuze.
1. Mijd eenmalige premies
De meeste uitvaartverzekeringen zijn gebaseerd op een periodieke premiebetaling. Stel bijvoorbeeld dat u als 55-jarige vrouw een uitvaartkostenkapitaal wil verzekeren van 2.500 euro. Afhankelijk van de maatschappij waar u de polis afsluit, moet u daarvoor levenslang een premie betalen van ongeveer 100 à 125 euro per jaar. Indien u wenst mag u die premie echter ook per maand betalen, zodat de last lichter wordt om dragen. U moet dan rekenen op een premie van 8 à 10 euro per maand.
Sommige uitvaartverzekeringen laten echter ook de mogelijkheid om een eenmalige, maar dan grote premie te betalen bij het afsluiten van de polis. Wil u als 55-jarige bijvoorbeeld een uitvaartkapitaal verzekeren van 5.000 euro dan moet u rekenen op een eenmalige premie van ongeveer 3.400 euro. Voor een uitvaartkapitaal van 2.500 euro, mag u de premie halveren. Deze mogelijkheid is echter niet aan te bevelen. Leeft u zolang als statistisch te verwachten valt en belegt u uw geld al die tijd op een verstandige manier dan zal uw beginkapitaal van 3.400 euro bij uw overlijden ruim verdubbeld zijn, zelfs bij een erg voorzichtige beleggingsstrategie. En sterft u erg snel, dan zullen uw nabestaanden al een heel eind komen met de 3.400 euro die u hen nalaat.
Kiest u als belegging voor uw 3.400 euro bovendien voor een zogenaamde 'verzekeringsbelegging', zoals bijvoorbeeld een verzekeringsbon of een verzekeringsrekening (denk aan rekeningen als Crest (Axa), First (Omob), Safe Plus (Zürich), Diamant Invest (Federale Verzekeringen)_.) dan is het mogelijk een overlijdensdekking van 130 procent aan de belegging te koppelen. In ons voorbeeld betekent dit dat bij uw overlijden minstens 4.420 euro wordt uitbetaald (of 2.210 euro wanneer u slechts 1.700 euro te beleggen heeft), ongeacht hoe snel u overlijdt.
Vergeet bovendien ook niet dat u het afgestane kapitaal immobiliseert tot uw dood wanneer u kiest voor een uitvaartverzekering. Krijgt u later nog af te rekenen met oplopende medische kosten, dan kan u het geld dat u aan de verzekering besteedde niet meer gebruiken om deze kosten te betalen.
2. Beperk de premiebetaling in de tijd Een aantal maatschappijen voorzien ook de mogelijkheid om de premiebetaling te beperken tot tien jaar. De premies die u dan moet betalen, liggen weliswaar iets hoger. Maar bij uw overlijden zullen uw erfgenamen altijd minstens terugkrijgen wat u aan premies heeft betaald. En sterft u voor de tienjarige periode van premiebetaling voorbij is, dan ligt het bedrag aan betaalde premies een stuk lager dan het uitgekeerde kapitaal.
3. Benut het fiscaal voordeel indien mogelijk
Soms kunnen de premies die u voor deze verzekering betaalt hetzelfde fiscaal voordeel opleveren als de premies die u betaalt voor gewone levens- of schuldsaldoverzekeringen. Dertig tot veertig procent van de betaalde premie kan worden gerecupereerd via een belastingkorting op uw personenbelasting. Om deze belastingkorting te bekomen, dient u aan uw verzekeraar een fiscaal attest te vragen waarop uw stortingen staan vermeld. Het bedrag vermeld op het attest moet u invullen op uw belastingaangifte in het daarvoor voorziene vak. Om in aanmerking te komen voor de belastingvermindering, moet u aan volgende voorwaarden voldoen :
- u moet bij het afsluiten van het contract jonger zijn dan 65 jaar.
- u mag enkel uw eigen overlijden verzekeren.
- de begunstigde van het contract moet uw echtgeno(o)t(e) zijn of een bloedverwant tot de tweede graad.
Houdt er wel rekening mee dat bij uw overlijden de uitkering ook wordt belast wanneer u de premies aangeeft om de belastingkorting te bekomen. Die eindbelasting bedraagt 10 procent van het verzekerde eindkapitaal. Maar over het algemeen mag u ervan uitgaan dat de belastingvermindering opweegt tegen de eindbelasting die bij de uitbetaling van het kapitaal wordt ingehouden.
Bij mensen met een laag inkomen kan deze verzekering vaak geen fiscaal voordeel opleveren (bijvoorbeeld huisvrouwen, gepensioneerden, mensen die leven van een vervangingsinkomen, enzovoort_ )Gepensioneerden en mensen die leven van een vervangingsinkomen moeten minstens 11.000 euro 'verdienen' vooraleer zo'n verzekering voordeel kan opleveren. Met personen ten laste ligt het bedrag nog hoger. Voor huisvrouwen ligt de grens op ongeveer 17.500 euro. Verder kunnen deze premies evenmin een voordeel opleveren als deze belastingvermindering al op een andere manier is uitgeput, bijvoorbeeld omdat u al een levensverzekering heeft lopen of wanneer u de kapitaalsaflossingen van uw woonkrediet aangeeft. Vraag aan uw verzekeringsmakelaar of uw bankier om na te gaan hoe het in uw geval zit. Met een belastinggids annex berekeningsdiskette kan u dit eenvoudig zelf berekenen.
4. Zoek de beste verzekeraar
Niet alle verzekeraars hanteren dezelfde voorwaarden en premies voor uitvaartverzekeringen. Uit een onderzoek dat Testaankoop enkele jaren geleden hierover heeft uitgevoerd, blijkt dat de premies bij de ene verzekeraar tot dertig procent hoger kunnen liggen bij de andere. Offertes aanvragen bij diverse maatschappijen is dus de boodschap. Een verzekeringsmakelaar kan u daarbij helpen. De beste polissen volgens Testaankoop zijn die van Corona Verzekeringen, DVV, De Federale Verzekeringen, Omob, P&V Verzekeringen en Swiss Life.
Naast de hoogte van de premie zijn ook nog enkele andere factoren van belang bij de keuze van een uitvaartverzekering. Soms is een medisch onderzoek vereist, bij anderen dan weer niet. Moet u geen medisch onderzoek ondergaan, dan bent u bij overlijden door ziekte de eerste jaren meestal niet verzekerd. Soms staan er ook andere uitsluitingen in het contract. Lees grondig de 'kleine lettertjes' voor u tekent.
Soms kan u de uitkering laten indexeren. Dat is interessant vermits de levensduurte, en dus ook de begrafeniskosten, alsmaar oplopen. Uiteraard betaalt u voor dat voordeel wel een iets hogere premie. Voorziet het contract geen automatische indexatie dan kan u het bedrag na verloop van tijd wel op eigen initiatief laten aanpassen.
5. Dienstenverzekering als laatste wilsbeschikking
Een totaal andere vorm van uitvaartverzekeringen zijn de zogenaamde dienstenverzekeringen, ook wel uitvaartverzekeringen in natura genoemd. Hierbij verzekert u geen voorafbepaald bedrag maar wel een aantal welomschreven diensten. Dela is de enige verzekeraar die een dergelijke service aanbiedt in België
Sluit u zo'n dienstenverzekering af dan neemt de verzekeraar bij uw overlijden een aantal specifieke uitgaven en formaliteiten voor zijn rekening, zoals het bestellen van de kist, de teraardebestelling of de crematies, het vervullen van administratieve formaliteiten, het laten drukken en versturen van de rouwbrieven, enzovoort. Op een fiscaal voordeel heeft u in dit geval nooit recht, vermits het hier niet om een levens- maar wel om een schadeverzekering gaat. Maar u heeft hiermee wél de mogelijkheid om zelf uw uitvaart te regelen zoals u dat wil. Kiest u voor deze vorm van uitvaartverzekering dan kan u immers op basis van een offerte van een begrafenisondernemer van uw keuze de verzekering afsluiten. Merk wel op dat u geen garantie heeft dat alles ook effectief gebeurt zoals u het had gewenst. Het volstaat dat de erfgenamen uw overlijden te laat bekend maken aan de verzekeraar en later de omzetting van de verzekering in een kapitaal gaan vragen.
Ondanks een reeks technische problemen blijft Tax-on-Web, het systeem voor de elektronische belastingaangifte, aan populariteit winnen. Zo'n 250.000 mensen hebben hun belastingaangifte on line ingediend, een klim met 80.000 ten opzichte van vorig jaar. Dat meldt de federale minister van Financiën Didier Reynders (MR) vrijdag.
Het Tax-on-Web-systeem kampte de voorbije maanden met een reeks technische problemen, onder meer met de module die vooraf berekent hoeveel je moet bijbetalen of kan terugkrijgen. Onder meer als gevolg van deze problemen werd besloten de uiterste indieningsdatum te verschuiven naar 31 augustus.
In 2004 kwam het aantal elektronische aangiften nog uit op 168.779. Dat was toen het drievoud van het aantal aangiften in 2003, toen Tax-on-Web werd gelanceerd.
Kopen op afbetaling zit in de lift. De cijfers van de Nationale Bank liegen er niet om. De leningen op ten hoogste een jaar winnen aan populariteit. Ze zwollen aan met 372 miljoen euro. Allerhande warenhuizen hebben al jaren een eigen kredietkaart op de markt. Om de klantenbinding te versterken. Maar dat is vaak niet zonder gevaar.
De OCMW?s en verbruikersorganisatie Test Aankoop waarschuwen voor aankopen op afbetaling.
Want op die manier komen veel mensen in een vicieuze cirkel terecht waarbij de interesten zich opstapelen en nieuwe leningen worden aangegaan om de andere afbetalingen in te lossen. Bijna 8 procent van de Belgen staat al op de zwarte lijst van de Nationale Bank. Dat zijn er meer dan 350.000. Hun naam wordt aan alle kredietverleners doorgespeeld. Zij mogen nergens meer in het rood gaan. Samen hebben ze voor bijna 2 miljard euro achterstallige betalingen. In iets meer dan de helft van de gevallen gaat het om aankopen op afbetaling.
De meeste wanbetalers ko men voor in de categorie 25- tot 34- jarigen. Er zijn in verhouding bijna de helft minder Vlaamse dan Waalse wanbetalers.
Want niet alleen de officiële banken delen krediet uit. Ook de warenhuizen, elektroketens, postorderbedrijven en allerlei consumentenclubs delen kaartjes uit.
Touring Wegenhulp promoot Visakaarten.
Wie bij Neckermann een bestelling plaatst, krijgt er ongevraagd een kredietkaart bij. Mensen die bij de schuldbemiddelingsdienst van het OCMW aankloppen, hebben er altijd minstens een op zak. In totaal zitten in ons land bijna 35.000 mensen met een afbetalingsplan bij het OCMW om hun schulden kwijt te geraken.
?We moeten de mensen die zich zo gemakkelijk laten verleiden door aantrekkelijke promoties op afbetaling tegen zichzelf beschermen?, zegt Ivo Mechels van Test- Aankoop.
De interesten op krediet kunnen hoog oplopen. Voor een gewone kredietopening met beperkte duur mag 13,5 procent interest gevraagd worden als het om een bedrag gaat onder de 1.250 euro en 13 procent als het bedrag groter is.
Wanneer die kredietopening gekoppeld wordt aan een kaart, dan loopt de interest op tot 19 procent voor een bedrag onder de 1.250 euro en 16 procent voor een hoger bedrag.
Bij Carrefour springen ze heel voorzichtig om met de aanvragers voor een Pass-kaart, waarmee ge winkeld kan worden op krediet.
Een op de drie aanvragers wordt geweigerd. Toch lopen er in ons land 200.000 mensen rond die nog geld verschuldigd zijn aan Carrefour.
?Met hun Pass-kaart stellen ze een derde van hun aankopen uit tot het einde van de maand. Een op de drie aankopen wordt op een nog langere baan geschoven. De rest laten ze meteen van hun rekening afschrijven?, zegt Christophe Demanjeau van Fimaser, het bedrijf dat de financiële diensten levert aan Carrefour.
?Onze afbetalingsplannen zijn geen valstrikken. Wij bieden veel producten aan die de klanten in schijven kunnen betalen tegen 0 procent interest. Het is gewoon de bedoeling dat ook minder kapitaalkrachtige mensen toegang krijgen tot bepaalde producten?, legt Demanjeau uit.
Carrefour is ook een van de weinige niet-bancaire spelers in ons land die gewone leningen uitschrijven aan klanten die een reis willen maken, een auto kopen of andere grote transacties willen doen. Een praktijk die in Nederland vaker wordt toegepast in supermarktgroepen als Albert Heijn en drogisterijketens als Kruidvat.
?Voor dat soort leningen stappen mensen toch nog altijd liever naar de bank?, klinkt het bij Fimaser.
?Wij behandelen amper vijftig dossiers per maand. Het blijft dus een marginaal verschijnsel.?
Bij de grootwarenhuizen van Makro werkt de M-kaart volgens een soortgelijk principe. Daar kunnen de klanten tot 3.000 euro aankopen uitstellen tot later. ?Er zijn nu al 70.000 mensen die een M-kaart op zak hebben. Eenmaal de stap gezet, maken ze er steeds meer gebruik van. Maar veel problemen zijn er niet. De aanvragers worden goed gescreend?, zegt marketingdirecteur Philippe Nowé. Net als Carrefour gooit Makro regelmatig promoties in de strijd die aantrekkelijker worden op krediet. Zonder interest. Zo mag de wijn voor de eindejaarsfeesten eerst opgedronken worden alvorens die in januari te betalen. ?Ik denk niet dat mensen meer gaan consumeren omdat ze het op krediet kunnen krijgen.
Maar ze gaan wel meer kopen bij Makro. Het is een goede manier van klantenbinding?, zegt Nowé.
Bij supermarktketen Delhaize wordt er geen krediet gegeven.
Toch heeft de keten wel al eens gespeeld met het idee om bankdiensten aan te bieden. In 1998 en in 2001 werden testen gelanceerd met respectievelijk Citibank en BBL. Maar die werden telkens na enkele maanden afgevoerd.
Volgens Gerard de Lamine van de distributiefederatie Fedis is het beter dat schoenmakers bij hun leest blijven. ?Iedereen heeft zijn stiel.
De supermarkten verkopen consumptiegoederen.
De banken verlenen financiële diensten. Het is misschien beter als iedereen zich beperkt tot zijn kernactiviteiten?, aldus De Lamine.